MIJNHEER DE HOOP

Mijnheer de hoop.png

MIJNHEER DE HOOP

Mijn moeder werkte in de thuiszorg, bij Zuidplein. En ik had daar een vakantiebaantje, in de verzorging. De eerste week leek dat makkelijk verdienen, kwam ik bij de ouwetjes thuis, maakte schoon en was weer weg. Week twee was ik vertrouwd genoeg. Of deed de schreeuwende eenzaamheid hun wantrouwen verwaaien. Kreeg ik alle verleden. Soepjurken met huilverhalen vol wanhoop. Wie d’r allemaal aan de kanker waren, verstoten door de kinderen, manlief de pijp uit, al decennia eenzaam, wachtend op wat? Zat ik daar vastgepind op de bank, gegijzelde van eindeloze monologen. Versleten kwam ik er vandaan. Soms met een grijpstuiver fooi. Vijnsde ik dankbaarheid.

Bijna allemaal vrouwen. En mijnheer De Hoop. Spastisch. Kon niets meer. Zo’n scheef bekkie, ingevallen wang, verwrongen armpie, dooie pootjes. En dat in ’t vervallen lijf van een zestigplusser, geen fraai gezicht. De zware gordijnen vrijwel dicht, maakten van de benedenwoning zijn grafkelder.

Wist ik veel wat ik daar kwam doen… Bezig met schoonmaken kwam de hoog snerpende wanhoopskreet ‘Mijnheer, mijnheer! De po mijnheer!!!’ Als ’n malle aangesneld, met de po, ik was er bijna, kwam uit z’n strot weer dat hoge geluid ‘Oh-ooh, te laat…’ Had ie in zijn broek gescheten. Kokhalzend kon ik de stront tussen zijn ballen uit vegen. Tuindeuren open, hap lucht, actie, frisse lucht snakkend weer naar buiten. ‘Mijnheer, mijnheer, mogen de deuren dicht, ik heb het koud…’

De Mijnsherenlaan na afloop was als de hemel die open ging.